Preek van de week Elke week een nieuwe preek
     
  12 februari 2012 - zesde zondag afdrukken  Word-document
 

Prekenlijst

Startpagina

Archieven

Register

Prekenportaal

Zondagsvieringen

Dominicanen

 

Lezingen:

Leviticus 13,1-2.45-46
Marcus 1,40-45

Wenst u de preken thuis in uw elektronische postbus te ontvangen?
U kunt intekenen op onze
verzendlijst
.


Tekst van viering

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Reinheid in Gods betekenis

Elke ochtend bracht ze haar twee kinderen naar de kleuterschool. De andere kinderen mochten haar; ze was leuk, had steeds een vrolijke glimlach op de lippen en altijd een goed woord paraat. Af en toe streelde ze de kinderen eens over het hoofd en soms bracht ze zelfs een of andere zoetigheid mee. Als ze weg ging wuifden de kinderen haar vrolijk na en wachtten reeds op de volgende dag. Het ging allemaal goed tot een van de andere moeders totaal hysterisch reageerde en haar in aanwezigheid van de kinderen en van het personeel luidkeels begon uit te schelden met de woorden: "Weten jullie dan niet dat ze een hoer is? Ik laat mijn kinderen toch niet bepotelen door zo iemand!"
Vanaf toen was alles anders. De kinderen van die vrouw waren op slag verdorven, hoewel ze daarvoor als even rein en onschuldig golden, als alle andere kinderen ook. Maar er was nu eenmaal niets meer zoals voordien.

Dit voorval illustreert duidelijk dat ‘reinheid’ niet alleen te maken heeft met een schone huid. Reinheid is niet alleen iets uiterlijks. Ook als de melaatse in het evangelie van vandaag meer dan gewoon moest lijden onder zijn uiterlijk. Zijn innigste wens was het om terug rein te worden en niet langer uit de maatschappij uitgestoten te zijn.

Melaatsheid! In Jezus’ tijd werd die ziekte beschouwd als een van de ergste straffen van God voor een zware zonde die je ofwel zelf, ofwel een van je ouders had begaan. Voor ons bestaat die ziekte vandaag weliswaar nog altijd, maar als we eerlijk zijn is ze sterk naar de achtergrond verwezen. Ze werd in onze geest al lang vervangen door de moderne gesel van onze tijd: AIDS. En als we ons oor goed te luisteren leggen, zijn er ook nu weer een groot aantal mensen die die ziekte als een straf van God aanzien. Als we ons dan ook nog voor ogen houden hoe sommigen van onze tijdgenoten en ook medechristenen zich tegenover mensen met Aids gedragen, kunnen we ook hier van afkeer, van uitsluiting en dikwijls zelfs van verbanning uit de gemeenschap spreken.

Maar heeft u ook opgemerkt wat al deze ervaringen gemeen hebben? We kunnen dat – om het met de woorden van Jezus bij Matteüs te zeggen – als volgt samenvatten: "Wat uit de mond komt maakt de mens onrein." En wat komt er uit de mond? – woorden, niets dan woorden. En juist die kunnen dikwijls meer onheil aanrichten en diepere wonden slaan dan een zware ziekte. Eigenlijk had Pilatus toen beter zijn mond gewassen in plaats van zijn handen. Door woorden wordt niet alleen de onbevangenheid van die kinderen in de kleuterschool vernietigd, woorden maken ook een groot aantal menselijke bindingen en relaties kapot. Iemand ziet hoe twee anderen naar hem kijken, tegen elkaar beginnen te fluisteren, en terstond voelt hij zich uitgesloten. Anderen worden gewoon openlijk belasterd omdat ze anders zijn als de ‘modale’ mens, en worden dan mensenschuw omdat ze zich niet voortdurend aan de veroordelende blikken van hun medemensen willen blootstellen.

Zelfs rouwenden worden dikwijls uitgesloten; niemand waagt zich nabij en ze krijgen het gevoel dat iedereen hen mijdt, omdat ze bang zijn om met droefheid en verdriet geconfronteerd te worden. De bevrijdende, behulpzame en helende woorden, waar ze zulke nood aan hebben, blijven uit.

Er is natuurlijk het gezegde: ‘God kent geen zonde!’ Want de zonde is altijd een vervreemding van Hem en zijn liefde. Daarom ontstaat de zonde niet gelijk waar, en ook nooit door God gewild, maar enkel en alleen in ons hoofd. En van ons hoofd naar onze mond, naar die ontzettende woorden of dat schuldige zwijgen, is maar een heel korte weg! Anderzijds is de weg van ons eigen hart naar het hart van de andere soms zo oneindig moeilijk en lang. Daarbij houdt God van een zuiver hart; een liefdevol hart dat anderen graag ziet.

Volgens mij is het niet voldoende als we de heiligheid alleen maar zien in de door de kerk officieel erkende heiligen. Neen, wie in Gods ogen werkelijk rein wil zijn, die moet de heiligheid in alle mensen kunnen en willen zien. Maar juist dat blijkt voor ons nog altijd het grootste probleem te zijn. Want onze voorstelling van reinheid en heiligheid is zo verheven dat we het begrip niet meer met ons eigen leven in verband kunnen brengen. Nochtans behoort tot het woord ‘heilig’ ook het begrip ‘heil’ – en dat staat in de Bijbel niet voor een verheven toestand, maar voor het ‘heel zijn’, het gelukkig zijn van de hele mens. Wie dus zelf ‘heel’ is, kan ook anderen in hun geheel zien en niet alleen die kleine, dikwijls negatieve, kantjes van de ander. En misschien hebben we die ander vroeger, juist om die kleine negatieve kantjes, uitgesloten. Blijft nu nog de spannende vraag, hoe ik zelf tot reinheid kan komen, zodat ook ik in Jezus’ zin genezen ben.
Daarvoor moeten we de genezing, zoals ze in het evangelie wordt beschreven, nog eens van dichterbij bekijken: Aanvankelijk heeft Jezus medelijden met de melaatse. Hij voelt met hem mee. Hij opent zich om de verbittering en de vertwijfeling van die lijdende mens aan te voelen; om waar te nemen hoe het er in het binnenste van de man uitziet. Dan steekt Hij zijn hand naar hem uit om zo een relatie met hem op te bouwen. Op die manier verkleint Jezus de afstand tussen hen beiden. En dan, dan raakt Hij hem aan.

En wat zouden wij doen? Wij trekken op zulk moment doorgaans onze hand onmiddellijk terug. Want we willen onze handen niet bevuilen. Wij willen niet te nauw betrokken zijn wanneer de man bv. plots heel zijn levensverhaal begint op te biechten; wanneer hij zijn innerlijke agressies, zijn haat, zijn gekrenkt zijn of zijn zelfontkenning open en bloot op tafel legt. We maken ons liever uit de voeten en houden ons buiten schot, en daardoor verwijzen we ook de ander weer binnen zijn grenzen. Jezus echter kent dergelijke angst voor menselijke nabijheid niet. Tot slot spreekt Hij het genezende woord uit: "Ik wil het, word rein!". Voor mij betekent dat niets anders dan: Ik sta aan jouw kant, ik neem jou aan zoals je bent. Maar nu moet en kan je ook ja tegen jezelf zeggen en jezelf aanvaarden. Daar moet je zelf ook een bijdrage toe leveren, door zelf voor het leven te kiezen.

Het is toch waar: als men mij telkens weer zegt dat ik een loser, een uitgestotene, een banneling ben, dan voel ik me ook werkelijk uitgestoten. Hetzelfde gebeurt als ik mezelf gedurig bekritiseer, gedurig met mezelf overhoop lig, en altijd weer ontevreden ben. Pas wanneer ik voel dat ik door een ander onvoorwaardelijk geaccepteerd word en als ik mezelf ook aanvaard met alle rimpels en vlekken – dan ben ik rein, want dan voel ik me aangenomen en geliefd, zowel door de anderen als door mezelf.

Al die uitsluitingen, veroordelingen en ‘onrein-verklaringen’ waar we onze medemensen in de huidige tijd mee belasten, zouden er niet zijn wanneer we allemaal in de geest van Christus zouden denken en handelen. Integendeel: konden we maar, net zoals Jezus, aan al die mensen tonen dat Gods liefde ook hen omhelst, dan zou genezing en heling zelfs dan mogelijk zijn, wanneer die beklemmende situatie, zoals bij die kinderen in de kleuterschool, of ook de ziekte zelf, bij aids en lepra, niet uit de wereld geholpen kan worden.

Een mens is alleen heel en geheeld wanneer hij weet dat God hem, ondanks lichamelijk of geestelijk lijden, oneindig en onvervreemdbaar liefheeft. En juist daarvan kunnen en moeten wij voor onze medemensen een teken zijn.

Frank Theré

 
  Prekenlijst