| Preek van de week |
|
|
||
| 29 januari 2012 - vierde zondag |
|
|
Lezingen:
Deuteronomium
18,15-20
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Er zijn gezaghebbende personen
die hun gezag ontlenen aan hun ambt of functie. Een minister bijvoorbeeld,
een bisschop, een gerenommeerde hoogleraar, of een journalist met grote faam
in de algemene opinie. 'Een nieuwe leer met groot gezag' zeiden de mensen in de
synagoge verbaasd tegen elkaar. 'Niet zoals de schriftgeleerden.' Dat is
zo'n tweeduizend jaar geleden. Zijn er ook nog in onze tijd mensen die dit
over Jezus zeggen? Dat hangt af van diegenen die zijn hedendaagse tolken
zijn. Dat zijn niet alleen de mensen met het ambtelijk gezag van
predikanten, dat is eigenlijk iedereen die zich christen noemt. Tolken
hebben de opdracht Jezus' woorden voor mensen van onze tijd om te zetten in
een taal die voor hen klinkt als een nieuwe boodschap: het 'goede nieuws'
dat het evangelie is. De eerste woorden die Jezus in het openbaar gesproken
heeft vatten het samen: 'Gods koninkrijk is ophanden.'
Schriftgeleerden zoals die in Jezus' tijd zijn van alle
tijden. Ook van onze tijd. Ze spreken als geautoriseerde vertolkers van de
geldende wetten en de gevestigde traditie. Maar er zijn er veel van wie het
gezag niet wordt erkend omdat ze niet mee zijn met onze tijd. Er zijn er die
door hun gedrag het woord van hun Heer ontluisteren. Ze verliezen hun gezag
omdat ze zelf niet doen wat ze de anderen voorhouden.
Jezus deed wat hij zei. Hij bracht Gods koninkrijk
metterdaad nabij door iemand in de synagoge te bevrijden van de boze geest
die hem in zijn greep gevangen had. Marcus beschrijft hier de eerste keer
dat hij dit deed. Verderop in hoofdstuk 1 vermeldt hij dat Jezus veel
duivels uitdreef. Later zei Jezus in een discussie met mensen die hem aan
het werk hadden gezien: "Als ik dankzij een kracht die van God komt
demonen uitdrijf, dan is zijn koninkrijk bij jullie gekomen" (Lucas
11,20). Het koninkrijk van God is de ruimte waarin de macht van het kwaad
door God is gebroken en de weldoende effecten van zijn heerschappij aan
mensen te beurt vallen.
In ons wereldbeeld bestaan er geen engelen en duivels
meer. Wij geloven niet meer in bovenaardse boze geesten die vanuit hun hemel
mensen in bezit nemen, van zichzelf beroven en naar hun pijpen doen dansen.
We zeggen nog wel van sommige mensen dat ze 'van de duivel bezeten' zijn,
maar daarmee bedoelen we dat zo iemand de symptomen van een
geesteszieke vertoont of lijdt aan een aanval van epilepsie. Zulke mensen
zijn van zichzelf vervreemd. Maar we roepen niet de hulp van een
duivelbezweerder in. Ze moeten medisch of psychiatrisch behandeld worden.
Psychologen hebben lijsten gemaakt van geesten die mensen
in hun greep kunnen houden: leugen, geldzucht, prestigedrang,
achtervolgingswaan, fobieën, en noem maar op. Maar het gewone taalgebruik
leert ons dat we het woord 'duivel' en aanverwanten niet kunnen missen.
Iedereen van ons kent zeker mensen die bezeten zijn door de geldduivel. Er
zijn mensen die geplaagd worden door obsessies die als kwelduivels hun leven
vergallen. Het gebeurt ook dat we mensen demoniseren: zo veel kwaad in hen
projecteren en over hen vertellen dat ze door iedereen gemeden worden als
waren ze de duivel in persoon.
We moeten nog altijd bidden tot God onze Vader: 'verlos
ons van het kwade'. Met zijn hulp staan we niet machteloos tegenover de
genoemde en andere vormen van duivelse bezetenheid. We kunnen alvast
beginnen met mensen te helpen om in te zien welke demonen hen in hun greep
hebben en van zichzelf vervreemden. En laten we eerst beginnen met te kijken
waar we zelf door kwade geesten worden onteigend.
Minstens even belangrijk is dat we oog hebben voor de
'goede geesten' waardoor mensen zich laten bezielen. Ook het woord 'engel'
kunnen we in onze woordenschat niet missen. Een engel, zegt Van Dale's
woordenboek, is 'iemand met de eigenschappen die aan engelen worden
toegekend': die liefde en toewijding betoont, iemand die een toonbeeld van
een mens is. We spreken van een 'engelbewaarder', Er zijn mensen die hun
vrouw of hun man 'mijn engel' noemen. Enzovoort.
Het komt er dan op aan ons geloof en dat van anderen in
de macht van 'goede geesten' sterk genoeg te maken om ons en anderen te
ontworstelen aan de kwade machten die ons beduvelen. 'Goede geesten' zijn
krachten die aan het werk zijn waar mensen met hun medemensen omgaan, in het
spoor van Jezus, onder de stuwing van Gods heilige Geest.
Kwade geesten de baas worden vereist dat we ons tot het
goede bekeren. Zo heeft Jezus het gezegd toen hij begon te preken. Kom tot
inkeer en geloof in het goede nieuws dat het koninkrijk van God nabij komt.
R. De Brandt
Geïnspireerd door Dries Morel, Zijn verhaal is ons
verhaal. Tabor, Brugge 1993, p. 166-168 en een preek van J. Van
Oostveld: http://preken.atspace.com/bb4zondag.htm |
| |