|
|
|
|
| 18 december 2011 - vierde adventszondag |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen:
2 Samuël
7,1-5.8-12.14-16
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
Het weesgegroet begint met de groet van de engel Gabriël aan Maria. Engelen zijn met hun hele wezen gericht op de verkondiging van de Blijde Boodschap. De boodschap van Gabriël proclameert het wezen van alle verkondiging: 'De Heer is met u'. Wij moeten geen engelen zijn om zijn boodschap tot de onze te maken: 'Gegroet, Daniël, gegroet, Erik, gegroet, Lutgart; de Heer is met je'. Ze verkondigt de kern van onze menselijke roeping. Aanvankelijk bestond het weesgegroet alleen uit de groet van de engel en die van Elisabet. Ons gebed bestond dus uit woorden die ons gegeven waren. Pas later, na het concilie van Trente, werden onze eigen woorden aan die van Maria toegevoegd. Het tweede deel van het gebed is een echo van het eerste. We denken vaak dat bidden de inspanning is die we
leveren om te spreken met God. Bidden kan dan het gevecht lijken dat we
leveren om een verre God te bereiken. Hoort Hij ons wel? Het eenvoudige
rozenkransgebed leert ons dat dit niet zo is. Wij doorbreken de stilte
niet. Als we spreken, antwoorden we op een woord dat tot ons wordt
gesproken. We worden opgenomen in een gesprek dat al begonnen is zonder
ons. De engel verkondigde het Woord van God. En dat schept een ruimte
waarin wij op onze beurt kunnen spreken. Aan woorden geen gebrek meer:
woorden voor God en woorden voor elkaar. De woorden van de engel beloven vruchtbaarheid. Vruchtbaarheid voor een maagd en voor een onvruchtbare vrouw. Gods zegen maakt ons vruchtbaar. Door onze individuele geboorte zijn we allemaal de vrucht van een schoot die werd gezegend. Ik geloof dat de zegen die de engel beloofde zich altijd en in elk mensenleven uit in de vorm van vruchtbaarheid. Het is de zegen van een nieuwe start, de genade van het prille begin. Het is best mogelijk dat we gemaakt zijn naar Gods beeld en gelijkenis omdat we deelhebben aan zijn creativiteit. We zijn Gods partners in het scheppen en herscheppen van de wereld. Het meest aangrijpende en wonderlijke voorbeeld hiervan is de geboorte van een kind. Maar zelfs mannen die dit mirakel niet kunnen voltrekken, ook zij zijn met vruchtbaarheid gezegend. Waar ze geconfronteerd worden met onvruchtbaarheid, steriliteit of doelloosheid komt God met een vruchtbaar woord. Als God ons nabijkomt, kunnen wij creatief worden, herscheppen en nieuw maken: door de aarde te bewerken, door te zaaien en te planten of door het beoefenen van schilderkunst en poëzie. Elk weesgegroet roept de individuele pelgrimstocht op die ieder van ons moet maken, van geboorte tot dood. Het gaat over drie momenten van ons leven, de enige die we met absolute zekerheid kunnen kennen: we werden geboren, we leven nu en we zullen ooit sterven. 'Heilige Maria, bid voor ons, zondaars, nu en in het
uur van onze dood.' Het weesgegroet geldt voor het 'nu' in elk moment
van ons leven. Het is nù dat we moeten volhouden en overleven op onze
weg naar het Koninkrijk. We bidden het bij het uur van de dood, of
anderen zullen het dan in onze nabijheid bidden. Het wordt dan een gebed
voor een nieuwe geboorte. We doen zoals T.S. Eliot die een van zijn
gedichten als volgt laat beginnen: "Bid voor ons, nu en in het uur
van onze geboorte." Ten slotte: het is waar dat mensen vaak niet aan God
denken als ze de rozenkrans bidden. Misschien denken ze urenlang wel
nergens aan. Ze zitten daar alleen maar wat te zitten en zeggen hun
gebeden. Maar dat kan goed zijn. Timothy Radcliffe o.p. (uit Zusters en broeders, Lannoo, Tielt 2003, p. 136-151) |