|
|
|
|
| 27 november 2011 - eerste adventszondag |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen:
Jesaja.
63,16-17 64,3-7
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
Toch klinken deze schriftteksten niet wanhopig. Vanuit
zijn Babylonische krijgsgevangenkamp richt het joodse volk zich tot God.
Een volksgebed. Er zit schuldbelijdenis in, ook wat klagend verwijt. Maar
tegelijk getuigt dit gebed van vertrouwen: de zekerheid dat God hen
uiteindelijk niet zal laten vallen. Over 'verwachten' gaat het ook in het evangelie. De
klemtoon ligt niet op de heer die naar het buitenland is, maar op de
dienaars aan wie hij het beheer van het huis heeft toevertrouwd. Wij mogen ons identificeren met die mensen aan wie
verantwoordelijkheid wordt gegeven. En de meest dienstbare taak, de
vertrouwensfunctie, is die van poortwachter. De portier moet wakker
blijven en uitkijken. ‘Wees waakzaam.’ Waken, wachten, verwachten,
woorden die met elkaar verwant zijn. In dat kleine stukje evangelie wordt niet minder dan
drie keer gezegd: ’Wees waakzaam.’ Op dit punt waren de volgelingen
van Jezus blijkbaar hardhorig, en geen klein beetje, want in de evangelies
wordt heel frequent geklaagd over het gebrek aan christelijke alertheid. Een paar voorbeelden: - Reeds in zijn voorwoord schrijft Johannes:
"Het Licht kwam in de wereld, maar de wereld heeft het niet
aanvaard." Gaat het er in deze tijd beter aan toe? Nee. Zoveel
zelfkennis hebben we wel. Daarom is het goed dat we jaarlijks het
kerkelijk jaar inzetten met een Advent. Vier weken om eens goed in eigen
hart te kijken, om na te gaan of al wat in ons hart leeft aan
verwachtingen, de kritiek van de christelijke waakzaamheid kan doorstaan.
De liturgie van de Advent wil ons ertoe overhalen om onze ambities en
verwachtingen - die ons worden opgedrongen door reclame, media, politieke
propaganda, door ons eigen belang en onze eigen-gelijkhebberij - om die
allemaal eens eerlijk te toetsen aan wat van ons als christenen mag
verwacht worden. En wat van ons mag verwacht worden weten uit de parabel
over het Laatste Oordeel die we vorige week hoorden: het is datgene op
basis waarvan wij zullen geoordeeld worden door een jury van hongerigen,
dorstigen, naakten, zieken, vreemdelingen, vluchtelingen, en politieke
gevangenen. Ooit zag ik op TV een gesprek tussen de Duitse theologe
Dorothee Sölle en dominee Beyers Naudé die als blanke voorvechter van
rassengelijkheid in Zuid-Afrika, destijds jarenlang spreekverbod en
huisarrest kreeg opgelegd. Teruggrijpend naar hun eigen geschiedenis
bleken beiden te worstelen met hetzelfde probleem. Sölle vroeg zich af:
Hoe was het mogelijk dat het overgrote deel van de vrome Duitsers die
wekelijks ter kerke gingen, voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft
laten gebeuren wat er is gebeurd? En Beyers Naudé vroeg zich af hoe het
kon dat zovele christenen zonder protest hebben laten gebeuren dat 3,5
miljoen zwarte mensen verdreven werden van de gronden waarop ze al
generaties lang leefden, om ze neer te poten in totaal onherbergzame
gebieden, de zgn. thuislanden. Het probleem van die twee, is ook ons probleem.
Gebeuren er in onze omgeving, in ons land, in onze wereld,
anti-evangelische dingen die wij stilzwijgend laten gebeuren? Zijn we
voldoende alert als de krachtlijnen van onze samenleving van morgen worden
uitgetekend? Zijn we er voldoende bij om onze vinger op te steken en te
vragen: waar wordt er rekening gehouden met de belangen van de hongerige,
de dorstige, de naakte, de zieke medemens? Hoe gastvrij zijn wij voor de
vreemdeling en de vluchteling? Is er in het Europa van morgen een
rechtvaardig evenwicht tussen het economische en het sociale luik? Op
basis waarvan beoordelen we besparingsplannen, maatregelen ter bevordering
van de werkgelegenheid, een sociaal huisvestingsbeleid? Op basis van de
consequenties voor onze eigen portemonnee of op basis van de consequenties
voor de zwaksten in onze samenleving? Ja, dat zijn moeilijke vragen. Maar als wij ze terzijde
schuiven door te zeggen ‘Ik begrijp niets van politiek of van die
financiële crisis’ of ‘Daar kunnen wíj toch niets aan doen’, lijkt
dit verdacht veel op de argeloosheid en het niet-waakzaam-zijn van die
Duitse en Zuid-Afrikaanse christenen die niet inzagen hoezeer zij, door te
zwijgen op cruciale momenten, hun geloofwaardigheid als christen
ondermijnden. Zoals een vrouw in verwachting niet vrijblijvend kan
uitzien naar de geboorte van nieuw leven maar zich ten volle zal engageren
voor een leefbare toekomst voor haar kind, zo vraagt Advent van ons inzet
om de droom van het Jezuskind op komst waar te maken: God die mens mag
worden daar waar mensen sleutelen aan gerechtigheid, waar mensen bouwen
aan een leefbaar huis voor allen, waar recht gedaan wordt aan de minsten
der mensen. Marc Christiaens o.p. (Schilde) |